Overig

Begrippenlijst

Architecten classisme

De bouwkunst van de klassieke oudheid was een inspiratiebron voor de architecten die de Itiaanse renaissance inluidden, zoals Filippo Brunelleschi. Een architect die zeer veel invloed zou uitoefenen op de classicistische bouwstijl was Andrea Palladio (1508–1580). Vooral in Engeland zou het Palladianisme nog tot ver in de 18e eeuw navolging vinden. In de classicistische architectuur worden vaste verhoudingen in de compositie toegepast en zijn de zuil, de pilaster en het fronton de belangrijkste bouwelementen

Bint

Driehoekig samenstel van balken in een dakkap

Bovenlicht

Raam boven een deur of het bovenste raam van een venster

Drielicht

Raam dat door middel van spijlen is opgedeeld in drie delen.

Fronton

Het fronton is in de bouwkunde de bekroning van een gevel, venster of ingang in driehoeks- of segmentvorm.
In de Klassieke Bouwkunst (Grieken en Romeinen) werd het fronton vaak in de voorgevel gebruikt om de ingangspartij te benadrukken. Gebouwen die later zijn gebouwd in een classicitische en neoclassicitische stijl, hebben vaak een fronton. Het paleis op de Dam en Koninklijk theater Carré zijn twee voorbeelden hiervan.

Kroonlijst

In de klassieke architectuur is een kroonlijst een geprofileerde horizontale lijst gedragen door pilasters. In de renaissance en het classicisme komt de kroonlijst terug, o.a. als rechte gevelbekroning vaak voorzien van dakgoot. In de 19de eeuw wordt de lijstgevel heel populair; de kroonlijst is dan meestal niet meer in zandsteen maar in hout uitgevoerd.

Lambrisering

Wandbetimmering, meestal bestaande uit houten paneelwerk, aangebracht tegen het onderste gedeelte van een muur.

Lodewijk XVI

De Lodewijk XVI-stijl is genoemd naar de Franse koning die regeerde van 1774 tot 1792 (in Frankrijk de Louis Seize-stijl). In Nederland wordt de stijl toegepast in het vierde kwartaal van de 18de eeuw, meer precies: de periode 1770-1800. Na de uitbundige Barokstijl van Lodewijk XV volgt en terugkeer naar het classicisme betekent: de strakke lijn is terug. De Lodewijk XVI-stijl is sober en symmetrisch en wordt gekenmerkt door classicistische versieringen als slingers en vazen. Voor het enkele huis geldt dat de strakke en classicistische Lodewijk XVI-stijl zich slecht leent voor toepassing op hals- en klokgevels. Populairder was de lijstgevel. Dit type gevel leent zich meer voor toepassing van de strakke Lodewijk XVI-stijl. De kroonlijst wordt vaak versierd met festoenen. Het puntdak boven de kroonlijst wordt aan het oog onttrokken met een klein schilddak, een groot fronton boven de kroonlijst of beiden.

Middengang

classistische huizen worden gekenmerkt door een symetrische indeling met in het het midden van het bouwblok een deur met daarachter een gang de ‘middengang’ aan weerzijden voorzien van symmetrische deuren en kamers. De symmetrie gaat soms zo ver dat er gebruik wordt gemaakt van ‘schijn’ deuren waar niets achter zit. In de ‘kleinere’ schoolmeesterwoning wordt hiervan afgeweken, men heeft dan wel een middelgang maar de ene kant van het pand is beduidend breder als de andere kant.

Moerbalk

Zware dwarsbalk in een zoldering, die de kleine overlangse kinderbalken in het midden steunt.

Neo classicistische architectuur

Met neoclassicistische architectuur wordt bedoeld de architectuurstijl die, in lijn met de bredere kunststroming van het neoclassicisme, een terugkeer naar de idealen van de oude Griekse en Romeinse bouwkunst voorstond. Het neoclassicisme in de bouwkunst ontstond enerzijds als een reactie op de zwierige vormen van de barok- en rococo-architectuur, anderzijds als een voortzetting van de classiciserende tendensen in de bouwkunst van de tweede helft van de 18e eeuw (Lodewijk XVI ). De stroming beleefde in Europa een hoogtepunt tussen ca. 1770 en 1840. In veel landen, ook buiten Europa, vond de stijl ook later in de 19e, en zelfs in de 20e eeuw nog navolging. Sommige architecten ontleenden hun klassieke beeldtaal op een indirecte manier aan voorbeelden uit de Renaissance of het werk van de Italiaanse architect Andrea Palladio; deze varianten worden meestal aangeduid als neorenaissance en neopalladianisme . In Duitstalige landen (en in Oost-Europa) wordt meestal gesproken over Klassizismus, waar elders de term neoclassicisme wordt gebruikt.

Pilaster

Een halfzuil is een halfronde variant van de pilaster. Beide begrippen worden vaak door elkaar gebruikt. Pilasters kunnen een decoratieve functie vervullen.
Pilasters worden onder andere toegepast in het Hollands Classicisme en zijn dan voorzien van een kapiteel (bovenstuk) en basement (versierde of verzwaarde voet.
Steekt een muurverzwaring meer dan zijn breedte voor een muur uit, dan spreken we van een steunbeer Als de voorsprong gering is en basement en kapiteel ontbreken, dan spreken we van een liseen. De Liseen komt veel voor in het neo-classisme eind 19e eeuw. Een overhoekse pilaster is een pilaster waarvan de vlakken een hoek van 45 graden met het muurvlak maken.

Piron

Bolvormig op een voet staand ornament op de uiteinden van een nok.

Plint

Het onderste deel van een gevel vanaf straatniveau tot ongeveer de vloerhoogte van de benedenverdieping. Bij een onderkelderd huis/gebouw kan de plint wel 1 tot 1,5 meter hoog zijn. Als een plint schuin (taps) verloopt duidt dat op zware fundamenten van meestal middeleeuwse herkomst.

Schilddak

Dak dat uit vier schuine vlakken bestaat.

Sleutelstukken

Geprofileerde houten console onder een moerbalk, zeer stevig daarmee verbonden. Console is een veelal enigszins S-vormig bewerkt vooruitspringend deel dat dient om iets te ondersteunen.

Spatlijst

Onderste rand van het pleisterwerk, wat meestal iets naar buiten staat.

Stucplafond

Met stucwerk versierd plafond. Stucwerk is de afwerking in gips van plafonds en muren, in de 18de eeuw vaak voorzien van rijke versieringen (eveneens in gips). Een 18de eeuws huis heeft meestal een rijk gestuukte gang en stucplafonds in de belangrijkste kamers. Een stucplafond is aangebracht op latten bevestigd aan de balken. De balken worden door het stucplafond aan het oog onttrokken.

Timpaan

Het timpaan of tympanon (van het Griekse tympanon = oorspr.: handpauk, tamboerijn; Latijn: tympanum) is in de antieke bouwkunst het driehoekige gevelveld tussen de kroonlijst en de schuin oplopende daklijstenvan een gebouw.
In de middeleeuwse bouwkunst is het timpaan (ook boogtrommel genoemd) de ronde (romaans) of spitsbogige (gotiek) vulling tussen de bovendorpel en de boog, met name boven portalen van kerken, veelal met beeldhouwwerk versierd. Het timpaan kan bestaan uit één groot beeldhouwwerk maar kan ook opgedeeld zijn in meerdere registers, zoals bij de timpanen in de westgevel van de Notre Dame in Parijs waar die in drie registers zijn opgedeeld.

Tongewelf

Gewelf waarvan de dwarsdoorsnede een halfronde cirkel of spitsboog is. Het gewelf ontstaat door de boogvorm in een richting vele malen te herhalen, zodat de kruin van het gewelf uit een rechte lijn bestaat.

Zijschild

Lang deel van een schilddak (dak dat uit vier schuine vlakken bestaat).